Pelgrimstocht op de fiets

We gaan op de fiets weer een nieuw stuk Spanje verkennen en deze keer zoeken we het iets verder van huis. Het plan is om met de gravelfiets een deel van de lange Camino de Santiago te doen: de Via de La Plata. Een eeuwenoude Romeinse handelsroute en van zuid naar noord de eerste etappe van een van de Spaanse pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela. Een zesdaagse rit met veel historie én de nodige hindernissen.

Tekst & foto’s: Bert Kloosterman
*een ingekorte versie van dit artikel verscheen in de printversie van ESpecial

We vertrekken met de auto richting Sevilla, naar La Algaba. La Algaba is een kleine plaats op ongeveer elf kilometer van Sevilla en het ligt aan de oevers van de rivier Guadalquivir. Uiteraard heeft ook deze plaats, net als veel plaatsen in Spanje, een Arabisch verleden. De Arabieren noemden het ‘Al Gabab’ ofwel ‘het bos’. Het heeft een paar bezienswaardigheden, waaronder de Los Guzmanes Tower en de 14e-eeuwse kerk Nuestra Señora de las Nieves. Stierenvechten zijn hier nog altijd populair, met als hoogtepunt de jaarlijkse Fiesta de los Toros in september. In dit dorp laten we onze auto staan, om morgen verder te gaan op de fiets.

Na de overnachting in een keurige tussenwoning in het centrum, vertrekken we met de gravelfiets richting onze eerste stop. Nog even door het centrum van La Algaba fietsen en dan verlaten we deze plaats om te beginnen aan de Camino de Santiago. Deze van oorsprong pelgrimstocht voor wandelaars is dus ook per fiets af te leggen. Maar waar wij onderweg achter kwamen, is dat helaas niet alle gedeeltes van de route daar geschikt voor zijn. Maar daarover later meer. Wat ons gelijk opvalt is de rust en de natuur. Heel in de verte zien wij de skyline van Sevilla, maar van alle drukte daar is hier niets te merken.

De was doen
Als eerste komen we door Torre de La Reina. Dit plaatsje heeft als grootste bezienswaardigheid het landgoed Cortijo Torre de la Reina. Dit is een 13e-eeuws landgoed, wat tegenwoordig tot het Nationaal Historisch Artistiek Monument behoort. We fietsen verder door het wisselende landschap. Na ongeveer 28 kilometer komen we aan in Castilblanco de Los Arroyos. Deze plaats ligt aan de voet van de Sierra Morena. Wat is hier te zien? Allereerst een prachtige 16e-eeuwse kerk, de Iglesia Parroquial del Divino Salvador, gebouwd in mudejar-stijl. Ook vind je er de Ermita de San Benito Abdad, een bekende bedevaartkapel. Verder bestaat het dorp uit huizen die onder typische Andalusische architectuur zijn gebouwd en traditionele wasplaatsen die tot de jaren ’60 nog in gebruik waren. Voor de vrouwen uit dorp waren dit sociale ontmoetingsplekken waar de was werd gedaan.

Almadén de la Plata
Omdat het nog geen tijd is voor de koffie, fietsen we door naar de volgende plaats. Al fietsend tussen de weilanden met schapen en koeien belanden we na ongeveer 55 kilometer in de plaats Almadén de la Plata. Dit dorp ligt midden in het natuurpark Sierra Norte de Sevilla, een UNESCO-erfgoed. Dat betekent dus dat wij ook dwars door dit schitterende park mogen fietsen. De plaats heeft een rijk mijnbouwverleden, met vlak daarbij El Chorro, een spectaculaire kloof met watervallen.

Buiten het dorp vinden we Castillo de las Torres, de historische overblijfselen van een Romeins kasteel, dat dateert uit de middeleeuwen. Helaas is het monument in een slechte staat van onderhoud en daardoor totaal vervallen. Maar ik heb mij laten vertellen dat er inmiddels plannen zijn om het te renoveren.

Water uit de mond
Na een korte stop met koffie en water, fietsen we verder. Vertrokken wij in La Algaba, op een hoogte van ongeveer dertien meter, inmiddels zijn we aangekomen op ongeveer vijfhonderd meter hoogte. Door het dalen en klimmen zijn er ondertussen aardig wat hoogtemeters bijgeschreven. Met nog zo’n twintig kilometer te gaan, passeren we El Real de la Jara, ook deze plaats bestaat uit vele Romeinse overblijfselen.

Wat ons in deze omgeving opvalt zijn de vele kurk- en steeneiken die overal staan. Uiteindelijk valt het kwartje, wij zijn aanbeland in het gebied van het Ibérico-varken. En na nog maar net tot die conclusie te zijn gekomen, komen we langs een boerderij met een paar honderd van deze donkerkleurige varkens. Als liefhebbers van een lekker Ibérico-hammetje en een mooi stukje Ibérico presa, verheugen wij ons meteen op het avondeten met deze streekgerechten.

Aangezien de temperatuur met 32 graden al behoorlijk is opgelopen, zijn we blij dat Monesterio in zicht is. Inmiddels hebben we er 92 kilometer op zitten en hebben we ruim 1500 hoogtemeter achter de rug. Na vijf uur fietsen komen we aan bij ons overnachtingsadres in Monesterio, dat precies ligt op de grens van Andalucía en Extremadura. Deze plaats staat eerder bekend om zijn Ibérico-hammen en zijn Museo del Jamon, dan om zijn bijzondere gebouwen. Het enige wat onze aandacht trekt is de historische kerk, Iglesia de San Pedro, een 15e-eeuwse parochiekerk. Het gebouw heeft het uiterlijk van een vesting.

Hek moet dicht
De volgende ochtend is het vroeg dag. Gezien onze ervaring gisteren met de hoge temperaturen, vertrekken we vandaag om zeven uur. De zon is net op en wij gaan richting onze eerstvolgende plaats. Een klein stukje over de verharde weg en dan weer het pelgrimspad op. Ook hier waar je maar kijkt eikenbomen. De route loopt dwars door privégebieden. Vriendelijk wordt er iedere keer gevraagd of je bij het passeren van de privégrond het hek weer goed dicht wilt doen, anders ontsnappen de dieren.

Tussen de koeien en schapen door, die je verbaasd aankijken als je voorbijkomt, komen we dichterbij Fuente de Cantos. Een plaats die bekend staat om zijn fameuze inwoner. Het is namelijk de geboorteplaats van de wereldberoemde schilder Fransisco de Zurbarán. In zijn voormalige woning is zelfs een museum gevestigd. Ook is deze plek beroemd om zijn ultieme streekgerecht: chanfaina, een stoofpotje van lamsvlees, bloedworst, lever en verschillende kruiden. Als je ervan houdt, heerlijk.

Het volgende dorp waar we doorheen fietsen, is Calzadilla de Los. Ook dit plaatsje kent weer een rijke Romeinse historie. De belangrijkste blikvanger hier is de Iglesia del Divino Salvador, met daarin een middeleeuws schilderwerk van de schilder Antón Madrid.

Hele uitdaging
Ook als je vooraf geen route zou hebben uitgestippeld, is de pelgrimsroute niet moeilijk te missen. Overal staan bordjes voor bewegwijzering. Maar dat wil niet zeggen dat het pad ook overal makkelijk begaanbaar is. We komen op gedeeltes die zelfs op een gravelbike een hele uitdaging zijn, en waar een wandelaar goed moet uitkijken om zijn enkelbanden heel te houden door veel grote keien die her en der over het pad liggen.

Na zestig kilometer trappen passeren wij de laatste plaats voor dat we de eindbestemming van deze dag bereiken: Villafranca de los Barros. Wat in deze omgeving opvalt, is dat de vele eikenbomen plaats hebben gemaakt voor druivenstruiken. Navraag leert ons dat Villafranca de los Barros bekend staat om zijn uitstekende kwaliteitswijn. Aangezien wij nog een stukje moeten fietsen wagen wij ons er maar niet aan. Wat zeker het vermelden waard is, is El Capricho de Cortina, een soort sprookjeshuis dat in de Efteling niet zou misstaan. Anton Pieck zou het hebben kunnen ontwerpen. Uiteraard houden de inwoners het zelf op een huis ontworpen in de stijl van Gaudí.

Een schreeuwende serveerster
Omdat wij proberen voor de ergste warmte op plaats van bestemming te zijn, blijven we niet te lang in dit dorp, maar vertrekken voor de laatste kilometers richting Almendralejo.

Na zo’n 75 kilometer trappen en een kleine 520 hoogtemeters arriveren we mooi op tijd bij ons overnachtingsadres. Na een heerlijke douche om al het stof en zweet af te spoelen, begeven we ons naar het lunchadres. Daar staat een allercharmantste, kauwgom kauwende serveerster ons halverwege het restaurant al toe te schreeuwen met de vraag wat we komen doen. Onder de indruk van deze gastvrijheid vragen we voorzichtig of we mogen lunchen, en gelukkig mag dat. De rest van de lunch hebben wij niks meer durven vragen.

Wat nog een leuk weetje is over Almendralejo, is dat deze stad een officiële D.O. Cava-status heeft en daarom ook wel de Cava-hoofdstad van het zuiden wordt genoemd. En wat hier ook heel bijzonder is, is dat er onder het Plaza del Toros (de stierenvechtersarena) zich wijnkelders bevinden met aardenwerken wijnvaten. Ook het huidige gemeentehuis is de moeite waard, dit is een 18e-eeuws paleis in barokstijl en het geboortehuis van de dichter José de Espronceda.

Langste rit vandaag
De volgende dag begint alweer om zeven uur. De zon is net op en de temperatuur begin 20 graden, dus heerlijk om te fietsen. Vandaag beginnen we aan onze langste rit. Vlak bij het startpunt zien we de bewegwijzering van de Camino de Santiago weer en fietsen we de paden op.

Twaalf kilometer later passeren we Torremejia, maar hebben geen tijd om te stoppen en knallen door naar Mérida. Als je een fietsliefhebber bent komt deze naam je wellicht bekend voor, alleen heeft deze plaats helemaal niets met dit fietsmerk van doen. Want het merk komt namelijk uit Taiwan. Wat Mérida wel heeft, is een grote Romeinse historie, het wordt ook wel het Rome van Spanje genoemd. Zo is daar het Teatro Romano uit 15 v.Chr. en deze is in een dusdanige staat dat daar in de zomer nog steeds uitvoeringen plaatsvinden. Ook mooi om te zien is de Puente Romano, met een lengte van 792 meter een van de langste overgebleven Romeinse bruggen.

Weinig oog hebbend voor dit alles trappen wij door richting de koffiestop, deze is gepland in Aljucén. Onderweg fietsen we door El Carrascalejo, een dorp met nog maar tachtig inwoners. Je begrijpt dat daar niet veel te doen is. Maar toch besluiten we om de koffiestop iets te vervroegen en hier neer te strijken op het plaatselijke en enige terras. Dat ligt tegenover de plaatselijke kerk, die wij de moeite waard vonden om even een foto van te maken. Het is de Iglesia de Nuestra Señora de la Consolación, daterend uit de 16e eeuw.

Vervallen vliegveld
Na een korte stop weer op de fiets en dan alsnog naar Aljucén. Vlak voordat wij het plaatsje naderen, fietsen we dwars over een verlaten militair vliegveld. Vele jaren geleden moet dit nog in gebruik zijn geweest, de hangars en de oude verkeerstoren zijn stille herinneringen. De start- en landingsbanen zijn een prooi van de tijd geworden en volledig begroeid.

Aljucén, ook dit dorp heeft nog maar ongeveer 250 inwoners en moet het voornamelijk hebben van de pelgrims die er doorheen komen of overnachten. Ook hier weer een kerk, in het hart van het dorp, die de moeite waard is om te bekijken. Mocht je hier toevallig ooit in de buurt zijn en een slaapplek zoeken, er is in Aljucén een fantastisch complex met traditionele baden en spa-faciliteiten, wat zeker de moeite waard is.

Ook indrukwekkend om te zien is de Proserpina Dam, dit is een van de oudste en best bewaarde Romeinse stuwdammen ter wereld. Hij is 425 meter lang en 21 meter hoog.

Inmiddels begint de temperatuur weer aardig op te lopen, dus haasten wij ons verder richting de eindstreep van vandaag. Ondertussen passeren we nog een paar kleine dorpjes zoals Alcuéscar, Casa de Don Antonio en Aldea del Cano, waarvan de laatste nog wel het vermelden waard is. Met ongeveer 600 inwoners is het de grootste van de drie. Het dorp herbergt een aantal kastelen waarvan Castillo de Garbato een van de bekendste is, een ruïne waarbij eigenlijk alleen de grote woontoren nog overeind staat. Wel is het inmiddels cultureel erfgoed.

Feest in Cáceres
Met nog twintig kilometer te gaan en inmiddels een temperatuur van 33 graden, besluiten we de onverharde paden te verlaten en het laatste stuk over de verharde weg te fietsen. Na vijf en half uur op het zadel te hebben gezeten, rijden we Cáceres binnen. Wat gelijk opvalt is dat dit een grotere plaats is dan waar wij tot nu toe zijn geweest. Onze overnachtingsplek bevindt zich midden in het centrum van deze stad. Links en rechts zijn er terrassen, dus de rest van de dag komt wel goed.

Omdat wij de volgende dag weer om zeven uur op de fiets willen zitten, gaan we op zoek naar een supermarkt om iets voor het ontbijt te scoren. Maar is het feria in Cáceres, en dat betekent helaas dat alle supermarkten gesloten zijn. We zullen het de volgende dag voor het ontbijt dus moeten doen met een droge Belgische wafel en een flesje proteïnedrank. Dan onderweg maar ergens een broodje scoren.

Traditionele herdershut
Weer zien we de zon opkomen, wat toch altijd een fascinerend gezicht blijft. En met het ontbijt komt het goed, want na twaalf kilometer fietsen vinden we in Casar de Cáceres een restaurant voor een lekker bakje koffie en een belegd stokbroodje. Na dit ontbijtje fietsen we verder met nog steeds zowel links als rechts weilanden. Net buiten het dorp zien we een rond huisje met een soort puntdak. Een eind verderop loopt een man die er uitziet alsof hij uit de buurt komt, wij vragen hem wat dit voor een huisje is. Hij vertelt ons dat het een chozo is, een traditionele herdershut die dient als rustplaats voor herders en hun kudde. Zo worden we steeds weer iets wijzer.

Na opnieuw een paar keer hekken open en dicht te hebben gedaan en dwars door kuddes schapen en koeien te hebben gefietst, belanden we op een verharde weg. Even slaat de twijfel toe, zitten we nog op de goede route? Maar iets verderop zien wij weer de bekende bordjes van de Camino de Santiago. Ook wandelaars moeten dus over deze weg om hun route te vervolgen, een schitterende asfaltweg, totaal verlaten. Het enige wat ons passeert gedurende de ongeveer veertig kilometer op deze weg, is een aantal motorrijders en heel af en toe een auto. Aan onze linkerhand zien we een enorm meer met wat uitlopers, navraag leert dat dit een onderdeel is van de rivier de Taag of Tajo in het Spaans.

Een indrukwekkende stadsmuur
Op kilometer 63 krijgen we een afslag, het onverharde pad lonkt weer. In de verte doemt het plaatsje Galisteo op. Doordat het landschap vrij vlak en het uitzicht onbelemmerd is, lijkt het of we er recht op af fietsen. Een grote vestingsmuur verbergt de geheimen van het dorp. Deze stadsmuur uit de 13e eeuw is nog volledig intact. Hij is gebouwd van ronde rivierkeien, is ongeveer tien meter hoog en met een omtrek van 1,2 kilometer is het echt indrukwekkend. Er zitten maar drie poorten in de muur die toegang geven tot het dorp. Omdat Galisteo op een verhoging ligt, was het in de tijd van de Romeinen een uitkijkpost. Ook dit dorp behoort tot het historisch erfgoed.

Nog een stukje doortrappen en dan rijden we mooi op tijd het dorp Carcaboso binnen. Hier valt moeilijk te verdwalen, want het bestaat uit een doorgaande weg met een paar zijstraatjes. Ons overnachtingsadres is een eenvoudige hostal met een cafetaria erbij. Omdat we even moeten wachten voordat we de fietsen en spullen kwijt kunnen, bestellen we een frisje aan de bar. Zoals bij veel cafeterias gebruikelijk is, krijg je er een tapasje bij, in dit geval uitgebakken stukjes varkensoor. Niet onze favoriet.

Een verkwikkende douche en dan gaan we op zoek naar een barretje. Als je links en rechts in de straat omhoog kijkt valt er iets op. Onder de dakgoot van bijna alle panden zitten kievitsnesten. Honderden nesten door de hele de straat, opmerkelijk. Inmiddels is het bloedheet in Carcaboso, dus een terrasje is haast onmogelijk. Zoals al gezegd bestaat het hele dorp uit een lange straat met wat zijstraatjes, een toprestaurant gaan we dan ook niet vinden hier. Omdat er toch gegeten moeten worden, belanden we in een bar met de uitstraling van een loods, enige sfeer is ver te zoeken. We bestellen de hamburger die op de smoezelige menukaart staat. Of het nu door de lage verwachting kwam of door de trek die we hadden, de hamburger was werkelijk fantastisch. Opnieuw een bewijs dat uitstraling, inrichting en bediening niets te maken hoeft te hebben met heerlijke gerechten. Daarover later meer.

Verboden te passeren
De volgende ochtend, na een summier ontbijt, stappen we weer op de fiets voor het vervolg van onze route. Al heel snel verlaten wij de verharde weg en verdwijnen weer in het fantastische landschap. Na een aantal kilometers geeft de route aan dat we rechtsaf moeten, maar hier staat een groot hek met allerlei waarschuwingen erop, dat je er vooral niet moet passeren.

Dit betekent omfietsen en tijdverlies. Later zou blijken dat dit voorval tekenend voor de rest van de dag zou zijn. Voordat de ellende begint, komen we aan bij het begin van de Via Verde, een heel bekend gedeelte van de pelgrimstocht naar Santiago de Compostela. Ongeveer achtenveertig kilometer keurig gravelpad met een continue lichte stijging van twee à drie procent. Inmiddels wordt het warmer en komen we geen terrasjes tegen. Uiteindelijk belanden we in een gehucht waar de enige bar gesloten is op zondag. Dan maar wat verder fietsen, tot we een boer zien die ons een natuurlijke bron wijst waar we de bidons kunnen vullen en ons wat kunnen opfrissen.

Tot de enkels in de modder
Inmiddels is het ongeveer half één en zijn we op twintig kilometer van het einde van die dag. Via stukken pad met grote rotsblokken waar absoluut niet gefietst kan worden, komen we bij een pad dat is afgesloten met een lint. Dat is niet best, want volgens onze gegevens moeten we hier wel naartoe. Eigenwijs als we zijn negeren wij het lint en gaan over dit pad, dit was een foute beslissing. Halverwege bestaat het weggetje uit alleen maar modder en veel water, tot aan de enkels met fiets en al er doorheen, om vervolgens na honderd meter hetzelfde tegen te komen. We begrijpen nu waarom het afgesloten was.

Na deze ellende en bijna 100 kilometer en ruim 1200 hoogtemeters, bereiken we rond half drie het centrum van Guijuelo. Moe maar voldaan strijken we neer op een terrasje. Het fijne van deze plaats is dat het ruim op 1000 meter hoogte ligt. Qua temperatuur betekent het dat het hier ‘maar’ 27 graden is, heerlijk dus in vergelijking met plekken op voorgaande dagen. Na een lichte lunch gaan we op zoek naar een carwash, waar de fietsen worden ontdaan van alle vastgekoekte modder en er daarna weer toonbaar uitzien.

Guijuelo is eigenlijk maar om één ding bekend, het Guijuelo-varken. Deze heeft lange puntige oren die over zijn ogen kunnen vallen. Het vlees is paarsrood tot roze van kleur, dit komt door de natuurlijke voeding. Overal in de stad zie je winkels met enorm veel Iberische hammen, heel indrukwekkend om te zien. Lekker gemaakt door al dit lekkers belanden wij in een restaurant gespecialiseerd in Ibérico-vlees. Toevallig zijn wij hier beiden liefhebber van.

Grote teleurstelling
Het restaurant is zeer sfeervol en modern ingericht, maar helaas is dat het enige positieve. Het heerlijk bestelde Ibérico-vlees is niet weg te krijgen, in kleine stukjes gesneden en daarna volledig doorgebakken. Niet te doen. En dus komen we weer terug op wat we al eerder constateerden: entourage, sfeer en bediening maken niet het restaurant. Het blijft toch de kwaliteit van het eten.

De volgende dag na het ontbijt vertrekken we voor een rustige rit van ongeveer vijftig kilometer richting Salamanca. Geen onverharde paden meer, maar heerlijk over het asfalt. Wat onderweg opvalt zijn de grote electriciteitsmasten. Nu denk je waarschijnlijk, ‘wat is daar zo bijzonder aan?’. Nou, in iedere mast zat op een nest een ooievaarskoppel te broeden. Tientallen masten met evenzoveel ooievaarsnesten.

Draak die ijsjes eet
Aangekomen in Salamanca hebben wij nog tijd genoeg om het centrum te bekijken. Salamanca staat ook wel bekend als de ‘Gouden Stad’. Het hele historische centrum staat op de UNESCO Werelderfgoedlijst. Twee kathedralen die aan elkaar zijn gebouwd zie je zelden. De Catedral Vieja uit de 12e eeuw in Romeinse stijl en Catedral Nueva in gotische en barokstijl. Op de nieuwe kathedraal is tijdens een renovatie als gimmick een ijsjes etende draak met een astronaut toegevoegd in de rijkelijk versierde gevel. In Salamanca staat ook de oudste universiteit van Spanje, daterend uit 1218.

En dan de terugweg  naar Sevilla met de trein. Op het station aangekomen moet de fiets worden ontmanteld volgens de regels van Renfe, het Spaanse spoorwegbedrijf. Voorwiel eruit en de fiets inpakken met een hoes. Maar eenmaal in de trein aangekomen blijkt dat de fiets alleen aan zijn voorwiel kan worden opgehangen. Helaas.

Hectische treintoestanden
Na een treinreis van ongeveer anderhalf uur komen we aan in Madrid. Daar moeten we overstappen, dat is ons bekend. Maar wat wij niet wisten is dat dat op een ander station moet gebeuren. Ik zal je de details besparen, maar ik kan je verzekeren dat het zeer hectisch gebeuren was. Uiteindelijk vertrekken we met een uur vertraging richting Sevilla.

Het is inmiddels half elf in de avond als we daar aankomen. Binnen een paar tellen is de trein leeg en het perron ook, en daar staan we dan. De fietsen nog in de trein in een opberghok die op slot zit en niemand meer te zien. Uiteindelijk brengt een aardige mevrouw redding. Zij heeft een sleutel van het hok en wij kunnen verder. De fietsen weer in elkaar zetten en de laatste tien kilometer terug naar het startpunt waar we zes dagen geleden zijn begonnen. Rond middernacht arriveren we weer in La Algalba en kunnen van een welverdiende nachtrust gaan genieten.

Na zes dagen fietsen, ruim 500 kilometer en ongeveer 5500 hoogtemeters komt er een einde aan ons mooie fietsavontuur. Denk je nou bij jezelf ‘dat lijkt mij ook wel leuk’? Zorg voor een goede fiets, neem niet te veel bagage mee en maak routes met het aantal kilometers dat je zelf genoeg vindt op een dag. In ieder dorp is er wel een overnachtingsmogelijkheid. Ga je elektrisch fietsen, hou dan rekening met de capaciteit van de accu en maak een route op 75 procent daarvan. Op die manier heb je speling bij een eventuele omleiding of verkeerd rijden. Veel fietsplezier en doe voorzichtig!

Foto van Bert Kloosterman
Bert Kloosterman

Fietsredacteur en eigenaar van BikeKick

Delen:

Facebook
LinkedIn
Meer lezen

Een greep uit onze artikelen

ESpecial Life Magazine

over het goede leven in Spanje

Blijf op de hoogte van nieuwe artikelen over Spanje!
(max. 1 mail per maand)